|
|
KEAC-Home
Vragen: Op de bres voor de afweer.
Antwoord: In feite zijn deze mensen continu ziek. Een normale reactie van het immuunsysteem is een korte maar hevige koortsperiode. Een griep dient na 3-4 dagen overwonnen te zijn. Deze mensen worden echter amper ze hebben weinig koorts (<38.6C), maar voelen zich wel ziek. Toch ontstaat er een proces waarbij de gemeten temperatuur de patiënt beïnvloedt om door te werken. Vaak duurt een periode van herstel ten minste 15 dagen. Eigenlijk is het antwoord een dergelijke patiënt is altijd (een beetje) ziek.
Vraag: Is er onderzoek naar het spijsverterend vermogen om enzymen af te breken? Antwoord: Enzymen zijn eiwitten en worden gewoon afgebroken tot de individuele aminozuren. Uit deze aminozuren kan het lichaam weer nieuwe enzymen produceren. Voor zover bekend is er geen direct onderzoek naar het spijsverterend vermogen. Indirect zijn er wel onderzoeken. Een IgG-onderzoek zal bij een slechte spijsvertering veel positieve reacties laten zien.
Vraag: Heeft de daling van de IgG4productie in de eerste levensmaanden van babi's te maken met wel/niet geven van borstvoeding? Antwoord: De daling van IgG4 is inderdaad veel sterker bij baby's die flesvoeding krijgen ten opzichte van baby's met borstvoeding. Via de borstvoeding worden ook lymfocyten met antistoffen overgedragen op het kind.
Vraag: Heeft de tester invloed op de kwaliteit van de Vega test? Antwoord: Uit een onderzoek dat het KEAC deed bleek dat er een zeer groot verschil in kwaliteit is tussen testers onderling. Deze bleek uiteen te lopen van 94% overeenkomst tot 4% overeenkomst. Ook bleek er behoorlijk verschil in overeenkomst van dag tot dag. Zo bleek een van de behandelaars, een dag voordat hij ziek werd, tien patiënten onderzocht te hebben. Bij deze tien scoorde hij 48%. Het gemiddelde van de overige dagen lag op 86% correct.
Vraag: Waarom is het immuunsysteem betrokken bij secundaire allergie? Antwoord: Bij secundaire allergie worden antistoffen geproduceerd van het type G. Deze antistoffen, althans dat is voor IgG4 bewezen, kunnen op mestcellen binden en net zoals bij IgE de mestcel laten degranuleren. Hiertoe is het nodig dat twee antistoffen gericht tegen hetzelfde allergeen (bijvoorbeeld koemelk) naast elkaar gebonden zijn en van hetzelfde type. Aangezien IgG4 maar met een arm het allergeen kan binden, zal de reactie minder heftig zijn dan die van IgE, dat met beide armen kan binden.
Vraag: Hoe lang na het starten van (bijv. een glutenvrij) dieet kan men nog antistoffen tegen gluten aantreffen in een bloedonderzoek? Antwoord. Antistoffen hebben een halfwaardetijd van 23 dagen. Na 23 dagen is de helft van de antistoffen verdwenen. Wanneer men dat uitrekent komt men op een periode van ten minste 6-8 maanden bij een sterk positieve reactie en 3-4 maanden bij een lichte reactie. Vraag: Wat is de relatie tussen Quincke's oedeem en bijwerkingen op de bijnierschors? Antwoord: Net zoals bij andere heftige allergieën zal er bij een reactie een vraag richting stress-verwerkingsysteem gaan. In beide systemen worden immuunfactoren van dezelfde groepen geproduceerd. Bij dit stress-verwerkingsysteem speelt adrenaline een rol. Mensen met langdurige allergieën vertonen uitputtingsverschijnselen van de bijnier: lage bloeddruk, of sterk wisselende bloeddruk, significante daling in de systolische bloeddruk wanneer de patiënt van de zittende naar de staande houding gaat (Ragland test), chronische virale, bacteriële of schimmelinfecties, reumatische artritis of andere vrije radicalen problemen (ontstekingen), koolhydratenintolerantie, chronische ziekten, hypoglycemie (zowel een vasten als een reactieve hypoglycemie), chronisch stress (zowel fysieke (bijvoorbeeld maagzweer) als psychische stress), frequent moeten plassen, onderfunctie van de hypofyse en/of schildklier (TSH < 2.0)
Vraag: Hoe is het mogelijk dat meerdere voedingmiddelen IgE- allergie (algemene problemen) veroorzaken en dat dit niet is beperkt tot 1 of enkele voedingsmiddelen? Allergie is zelden een oorzaak, maar meestal een gevolg. De primaire bescherming wordt gegeven door antistoffen van het type A. Wanneer deze afweer tekort schiet zullen antistoffen van het type E aangemaakt worden en kan allergie ontstaan. Het tekort aan IgA, kan veroorzaakt worden door bijvoorbeeld een verhoogde doorlaatbaarheid van de darm.
Vraag: Kan men niet beter door bijvoorbeeld verbetering van de darmflora en herstel van de darm, intolerantie/allergie niet laten verdwijnen dan door alleen maar elimineren, zodat herintroductie dan geen klachten meer geeft. Dus in plaats van elimineren ook de darm behandelen voor herintroductie? Antwoord: In de praktijk gebeurt dit ook altijd. Men geeft vaak middelen zoals spijsverteringsenzymen, darmflora en Permeability factors om de darm te herstellen. Bij lichtgekleurde ontlasting kan men dat uitbreiden met taurine voor de galvorming.
Vraag: Enkele personen die ook hun klachtenveroorzakend voedsel weglaten en ook qua gezondheid verbeteren houden toch een vochtprobleem. Hoe is dat te verklaren? Dit vochtprobleem is inderdaad bij veel chronisch allergiepatiënten zoals patiënten met constitutioneel eczeem waar te nemen. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de afwijkende functie van de bijnier in dit verhaal. Vaak zien we een verschuiving van de cortisol-piek op de dag, afgezien van de hoogte van deze piek. Ribes nigrum (Gemmo) kan hierbij een goede rol spelen evenals Dandelion (Taraxacum) fyto.
Vraag: Hoe lang moet je positieve voedingsmiddelen minimaal elimineren. Wat moeten die mensen nog eten? Antwoord: Positieve voedingsmiddelen dienen vier maanden volledig te worden weggelaten. Voor de meeste producten zijn goede vervangers aan te wijzen. Als een patiënt veel reacties heef kan volstaan worden met een rotatiedieet. Dit behoeft niet altijd een vierdaags-rotatiedieet te zijn. In sommige gevallen kan worden volstaan met een tweedaags rotatiedieet. Melk kan men daarbij vervangen door sojamelk, sojavla e.d.; de tarwe kan men vervangen door rogge, gerst, haver, amarant, quinoa e.d.
Vraag: Is er bewezen dat voedselgevoeligheid optreedt bij hulpstoffen? Voor een aantal hulpstoffen is een allergische reactie aangetoond. Deze reactie vindt plaats doordat de hulpstof (hapteen) eerst aan een bepaald eiwit in een bloed koppelt en zo een "full antigen" wordt. Er vindt dan normale antistofproductie plaats. In veel gevallen treden andere reactie op doordat de hulpstof bepaalde biochemische processen beïnvloedt. De meeste van deze reacties zijn beschreven in E=eetbaar van Dr. J. Kamsteeg.
Vraag: Waarom praten we over primaire en secundaire allergieën? Antwoord: De term secundaire allergie, vertraagde allergie of "food sensitivity" is geïntroduceerd om een onderscheid te maken tussen een allergische reactie veroorzaakt door IgE-antistoffen en een allergische reactie veroorzaakt door IgG-antistoffen. De term vertraagde allergie verdient geen voorkeur, omdat er al een type I vertraagde allergie bestaat. Hierbij spelen IgE-antistoffen een rol. Primair en secundair duidt ook mee de ernst van de situatie in zijn algemeenheid aan.
Vraag: Zijn de IgG-tests meer sensitief en meer specifiek? De IgG-allergie test zijn meer sensitief, maar veel minder specifiek dan de IgG4-test. Eigenlijk alleen bij colitis dient men altijd gebruik te maken van IgG-allergietests. Bij dient ziektebeeld kan een IgG4-test vals-negatief zijn.
Vraag: Wat kunnen de nadelen van de anti-IgE-antistoffen zijn bij de behandeling van allergie? Bij vele ziektebeelden zoal ook kanker heeft men geprobeerd met specifieke antistoffen, bepaalde stofwisselingsproducten weg te vangen, met in een enkel geval een fataal verloop. Men gaat hier voorbij aan de situatie dat het hierbij niet om een permanente binding gaat, maar om een tijdelijk binding. Men ziet dan een vertraagde afbraak ontstaan waardoor uiteindelijk de reactie zelfs langer aanhoudt. vele tijdschriften werd recentelijk geschreven over de relatie tussen allergie en het chronisch vermoeidheid syndroom (CFS): "Allergie, in welke vorm dan ook, speelt geen rol bij het chronisch vermoeidheidsyndroom" De bron van deze opmerking schuilt in een artikel van M.S. Repka-Ramirez, K. Naranch, Y.J. Park, A. Velarde, D. Clauw en J.N. Baraniuk van de Department of Medicine van de Georgetown Universirty in Washington in het tijdschrift Ann. Allergy Asthma Immunol. september 2001, 87(3), 218-221, getiteld "IgE-levels are the same in chronic fatigue syndrome (CFS) and control subjects when tratified by allergy skin test and rhinitis types." De achtergrond van dit onderzoek is dat CFS een onbekende pathogenese heeft. Een van de mogelijke pathogenese is allergie waarbij de patiënt volledig uitgeput zou raken. Het doel van dit onderzoek was om serum IgE in CFS patiënten te vergelijken met controles en te bezien of het gemiddelde IgE in CFS patiënten hoger zou zijn. IgE verschilde niet significant tussen de controles (128 IU/ml) en de CFS groep (144 IU/ml). TH2-lymfocyten en IgE-mestcel mechanismen spelen derhalve geen rol bij het ontstaan van CFS.
Deze conclusie is geheel onjuist. Er is geen onderzoek naar IgG of IgG4-allergische reacties gedaan. Chronische reacties zullen eerder door deze antistoffen worden gemedieerd. De conclusie dat TH2-lymfocyten en IgE-mestcel mechanismen geen rol bij het ontstaan van CFS is niet gerechtvaardigd.
Dr. J. Kamsteeg
|
||