< vorige

Komen allergie en intolerantie vaker voor dan gedacht?

In vele tijdschriften werd recentelijk geschreven over de indicentie van allergie en intolerantie (German studies shows 20% of people have allergy or intolerance . CAM, January 2002).

De bron van deze artikelen komt uit een boek dat al in 1996 is verschenen getiteld Food allergies and intolerances van G. Eisenbrand e.a. In dit boek komt een hoofdstuk voor van T. Schäfer e.a. genaamd Epidemiology of adverse food reactions due to allergy or other forms of hypersensitivity. Waarom komt dit onderzoek nu pas in de publiciteit? In Allergy 56 verscheen eind 2001 een artikel van deze auteur met dezelfde inhoud. Kennelijk is het artikel nu wel opgemerkt.

Samenvatting

Een Duits onderzoek heeft eerdere onderzoeken weerlegt dat allergie en intolerantie maar weinig voorkomt. Gebaseerd op een onderzoek onder 1500 volwassenen toonden de onderzoekers aan dat een kwart hiervan positieve reacties hadden in een huidtest. Noten, fruit en melk werden het meest frequent aangetroffen. Tot de symptomen die de patiënten hadden bleek pollinose (hooikoorts) het meest voor te komen bij mensen met voedselallergie. Het onderzoek was een samenwerkingsverband tussen onderzoekers van de Technische Universiteit München, Ludwig-Maximillian Universiteit te München en het Epidemiologisch Instituut te Neurenberg.

De onderzoekers interviewden de deelnemers over allergie of intolerantie en probeerden atopie vast te stellen. Tevens werden er huistests gedaan met tien voedselallergenen en negen luchtallergenen

Bij 20,8% van de deelnemers was voedselallergie of -intolerantie vast te stellen. Deze resultaten komen overeen met een eerder bevolkingsonderzoek in Engeland waarbij een resultaat van 19,9-20,4% werd vastgesteld. Deze resultaten zijn een stuk hoger dan een Nederlands onderzoek dat een percentage van maar 12,4% aantoonde. Andere onderzoeken toonden percentages aan tussen 4,9 ene 33%. In een eerder onderzoek in Duitsland werd overigens een percentage in dezelfde orde gevonden namelijk 18,8%. Terwijl in Zweden slechts 25 van de 1812 ondervraagden allergie of intolerantie hadden. De onderzoekers geven toe dat deze hoge incidentie in schril contrast staat met bepaalde epidemiologische onderzoeken, waarbij dubbelblinde, placebo-gecontroleerde voedselprovocatietests werden gebruikt om de incidentie van voedselallergie en intolerantie te onderzoeken. Deze onderzoeken komen tot schattingen tussen de 1,4 en 2,4%. Volgens de onderzoekers hebben deze onderzoeken echter een zeer beperkte betekenis:

  • door het geringe aantal onderzocht personen (73 en 93)
  • het selectieproces waarmee de personen geselecteerd werden
  • in een onderzoek slechts 8 voedingsmiddelen werden onderzocht, zodat alleen interacties met deze voedingsmiddelen mogelijk zijn;
  • de soort reacties die al of niet werden meegenomen in het onderzoek zoals hoofdpijn, gedragsklachten en gewrichtsproblemen.

Resultaten

In het totaal toonden 20,8% van de respondenten (50,4% vrouwen, mediane leeftijd 50 jaar) voedselallergie of -intolerantie, waarvan 27,5% vrouwen en 14% mannen). Noten, fruit en melk kwamen het meest frequent voor. De symptomen betroffen vooral klachten van de mond (42,9%), huid (28,7%), maagdarmklachten (13,0%), systemische klachten (3,2%) en meervoudige klachten (12,2%).

Een kwart van de proefpersonen (25,1%) waren gesensibiliseerd voor ten minste een voedselallergeen in de huidtest. Hierbij waren hazelnoten (17,8%), selderij (14,6%) en pinda (11,1%) het meest voorkomend.

De proefpersonen met voedselallergie (positieve ziektegeschiedenis en sensibilisatie voor een allergeen) leden vooral aan netelroos, astma, atopisch eczeem en pollinose (73,1%) ten opzichte van 3,0% in een controle groep. De hooikoorts werd vaker behandeld indien er ook sprake was van voedselallergie. Binnen de geteste groep bleek er een sterke samenhang tussen een allergie voor hazelnoot en soja of selderij alsook tussen hazelnoot en selderij en pinda. Deze clustering verondersteld dat er een kruisreactiviteit bestaat tussen voedselaller-genen en stuifmeel.

Ruim 70% van de personen met voedselallergie had een diagnose hooikoorts. Een verband tussen voedselallergie en inhalatieallergie is uit diverse onderzoeken bekend en wordt aangeduid als selderij-wortel-bijvoet syndroom.

Voedselallergie bleek ook sterk geassocieerd met ander kenmerken van atopie. Ruim 65% van de patiënten met voedselallergie had ook andere atopie-symptomen zoals allergisch astma, bronchiale hyperreactiviteit e.a.

Commentaar

Nog steeds wordt er onvoldoende rekening gehouden op reacties op andere antistoffen die een geheel afwijkend patroon van reacties laten zien ten opzichte van IgE-reacties Tot nu toe worden uitsluitend reacties in huidtest die na 15-20 minuten opkomen als positief gewaardeerd. Tests die later alsnog positief worden, worden niet meegeteld. IgG-reacties op voedsel laten echter een veel latere reactie zien. De eerste respons is vaak na 6-8 uur, maar de tweede respons kan na 24-36 uur optreden. Zo lang deze reacties niet meegeteld worden in de incidentie zal er geen nauwkeurige indruk van de incidentie van voedselallergie of voedselintolerantie kunnen worden vastgesteld.

Literatuur

Schäfer, T. e.a. (2001) Epidemiology of food allergy/food intolerance in adults: associations with other manifestations of atopy. Allergy 56, 1172-1179.

Young, E. e.a. (1994) A population study of food intolerance. Lancet 343, 1127-1130.

 Schäfer, T. en J. Ring (1996) Epidemiology of adverse food reactions due to allergy or other forms of hypersensitivity. In.: Food allergies and intolerances (Eisenbrand, G., H. Aulepp en A. Dayan, ed.) DFG Symposium, Weinheim, VCH Verlag, 40-54.

Dr. J. Kamsteeg

< vorige