|
|
KEAC-Home | Allergieonderzoeken Patiënteninformatie __________________________________________________________________________ Definitie allergie Binnen de klinische ecologie verstaat men onder allergie, elke reactie van het lichaam op voedingsmiddelen of andere chemische verbindingen in de omgeving van de patiënt. Ook intolerantie en hyperreactiviteit vallen onder dit begrip. Wij geven de voorkeur eraan dat niet te doen, omdat de aard van de reactie veel informatie geeft over de behandeling, bijvoorbeeld of "zondigen" fataal is of niet. Wij maken daarom een onderscheid tussen allergie, intolerantie en hyperreactiviteit. Voor de overzichtelijkheid gaan we op deze plaats niet verder in op intolerantie en hyperreactiviteit. Beide typen overgevoeligheidsreacties vormen echter een belangrijk onderzoeks- en behandelingsterrein binnen het Klinisch Ecologisch Allergie Centrum. Met allergie bedoelen wij een reactie van het lichaam waarbij het afweersysteem betrokken is. Meestal worden er dan antistoffen van het type E (IgE) aangemaakt. Allergieën, met name voedselallergieën, komen vrijwel uitsluitend voor bij mensen die daarvoor een erfelijke aanleg hebben. Deze erfelijke aanleg noemen we atopie. Bij atopische patiënten komen in de regel één of meer van de volgende ziektebeelden voor: constitutioneel eczeem (atopisch eczeem, atopische dermatitis), loopneus (rhinitis) vaak gepaard gaande met oogbindvliesontsteking (conjunctivitis) en astma (allergisch astma). Daarnaast vertonen atopische mensen eerder allergische ziekten, zoals huiduitslag en netelroos (urticaria) door het gebruik van medicijnen. Verder reageren ze eerder op stof, infecties, natuurverschijnselen, weersinvloeden, voedingsmiddelen, kleding e.d.. Ook bij mensen die deze allergische aanleg missen komt echter voedselallergie en/of andere allergische reacties voor. Bij deze mensen worden antistoffen van een ander type aangemaakt, namelijk IgG4. Voor het opsporen van deze antistoffen zijn in het eigen laboratorium tests ontwikkeld. Deze worden inmiddels voor patiënten uit vele landen in en buiten Europa uitgevoerd. Een allergie wordt vrijwel uitsluitend veroorzaakt door eiwitten of glycoproteïnen. Deze stoffen komen in bijna alle voedingsmiddelen voor, zij het in soms zeer geringe hoeveelheden. Ook in stuifmeel (pollen), schimmelsporen en uitwerpselen van de huisstofmijt worden deze stoffen aangetroffen. De reactie op een voedingsmiddel of andere stof verloopt in bijna tachtig procent van de gevallen via bepaalde cellen gelegen in de slijmvliezen (mestcellen) en in het bloed (basofiele leukocyten). Wanneer een allergeen voor de eerste maal door de darmwand in het bloed van de mens terecht komt, maakt het lichaam daartegen een antistof aan, die naadloos op het allergeen past als een sleutel in een slot. Deze antistoffen worden met het bloed meegevoerd en hechten zich aan de eerder genoemde mestcellen en basofiele leukocyten. Wordt het voedingsmiddel opnieuw gegeten dan zal het allergeen zich aan deze antistoffen op de mestcellen hechten. De cel zal dan diverse stoffen vrijmaken, waaronder histamine. Deze stof kan de spieren van de longen en darmen laten samentrekken, het activeert bepaalde klieren, het verwijdt de wanden van bloedvaten en stimuleert de zenuwuiteinden. Het resultaat hiervan kan zijn benauwdheid, darmklachten, slijm ophoesten, overtollig maagzuur, roodheid van de huid, vochtophoping en jeuk. Zoals eerder gezegd kan het lichaam aan zo'n allergische reactie wennen. Tal van secundaire klachten kunnen dan het gevolg zijn zoals vochtophoping in het middenoor, chronische infecties (Candida albicans) en (reactieve) hypoglycemie (een te lage of sterk wisselende bloedsuikerspiegel). Ook grotere gevoeligheid voor houtbeschermings-middelen, formaldehyde, bestrijdingsmiddelen e.d. is hiervan soms een gevolg.
Verschillende antilichamen Een allergie is een reactie waarbij het afweersysteem (immuunsysteem) met zijn antilichamen betrokken is. Deze antilichamen worden ook wel immunoglobulinen (Ig) genoemd. Men onderscheidt IgA, IgE, IgG en IgM. Bij een acute allergie voor koemelk worden antilichamen van één specifiek type (IgE) aangemaakt. Tot nu toe kijkt men bij allergieonderzoek in de regel maar naar één antilichaam, IgE. In het Klinisch Ecologisch Allergie Centrum doen wij zo'n onderzoek op bredere basis, door naar meerdere antilichamen te kijken. Zo kan bij aanwezigheid van meerdere typen antilichamen een mechanisme in werking treden, waardoor er juist geen klachten hoeven te zijn. De resultaten van zo'n uitgebreider onderzoek zijn daarom erg verhelderend en geven een beter inzicht in de oorzaken van een veelal chronisch ziektebeeld. Op grond van deze gegevens kan een zeer gericht behandelingsplan worden opgesteld. Een bestaande behandelingswijze kan worden bevestigd of worden verfijnd. _________________________________________________________________________
|