KEAC-Home | Allergieonderzoeken | Laboratoriuminfo

Keac

Candida onderzoek

 

__________________________________________________________________________

Inleiding

Steeds vaker worden schimmelallergieën of schimmelinfecties (mycosen) aangetroffen bij patiënten zonder dat er sprake is van een sterk verzwakt afweersysteem. Mycosen zijn echter niet gemakkelijk te herkennen omdat ze gepaard gaan met talrijke, vaak sterk variërende klachten. Het verband tussen recidiverende mycosen en verzuring van het lichaam is opvallend. Een te zuur reagerende huid en slijmhuid geeft schimmels optimale groeimogelijkheden.

 

Zuur-base evenwicht

Wanneer de voeding te veel zuren of zuurvormende producten bevat is het lichaam genoodzaakt om voor het herstel van het zuur-base-evenwicht mineralen aan het weefsel te onttrekken. Deze uitputting van de mineraaldepots in het lichaam leidt tot een algemene demineralisatie van het lichaam. Een mineraalverlies verzwakt het gehele lichaam en remt belangrijke enzymfuncties. Deze enzymfuncties worden nog sterker geremd door het verschuiven van de zuurgraad naar een zuurder milieu. In de darm heerst een basisch milieu tussen pH 7.7 en 8.0, die door de sterk basische uitscheidingsproducten van de lever, alvleesklier en de Brunnerse en Lieberkühnse klieren in de dunne darm constant gehouden wordt. Hierdoor wordt een optimale vertering van vetten en eiwitten gegarandeerd.

Wanneer door verzuring de pH van de darm te laag wordt, is de vertering van koolhydraten, vetten en eiwitten onvolledig, zodat onverzadigde zuren zoals fosfor-, zwavel- en urinezuur, ontstaan uit de afbraak van eiwitten, in het bloed worden opgenomen.

Het lichaam probeert de pH van het bloed constant te houden op pH 7.3-7.5. Om de pH op deze waarde te houden zullen eerdergenoemde zuren (tijdelijk) in het weefsel worden opgeslagen. Daarom heeft een pH-meting van het bloed weinig zin om een gestoord zuur-base evenwicht op te sporen. Worden deze opgeslagen zuren niet meer afgevoerd en via de nieren uitgescheiden dan neemt de concentratie hiervan in de loop der tijd toe. Vele van deze zuren veroorzaken weefselirritatie die veelvuldig als irritatie en/of ontsteking van de slijmvliezen te herkennen is. De uitscheidingsorganen zijn hierbij meestal direct betrokken. De huid als grootste uitscheidingsorgaan met zijn pH-waarde van 5.3 wordt door het zuurhoudende zweet uitgedroogd en in zijn functie gestoord. De huid reageert zeer gevoelig op veranderingen van de pH-waarde met roodheid, kloven en eczeemachtige verschijnselen. Door de gestoorde pH-waarde kunnen huidschimmelinfecties en nagelschimmelinfecties zich ongelimiteerd uitbreiden.

Op onze huid leven duizenden micro-organismen per vierkante centimeter en bij elke inademing krijgen we bijna een miljoen micro-organismen in onze longen. En ook bij elke maaltijd krijgen we miljoenen micro-organismen binnen. De totale hoeveelheid aan micro-organismen in de darm overtreft het gewicht aan voedsel dat we consumeren ruimschoots en toch worden we niet ziek.

Een volwassen mens heeft tussen acht en twaalf kilo micro-organismen in zijn maagdarmkanaal. Deze micro-organismen produceren spijsverteringsenzymen en bepaalde vitaminen en mineralen. Darmklachten zoals winderigheid, borrelingen en kolieken zijn vaak een oorzaak van een sterke reductie van het aantal micro-organismen. De mens leeft in een teer evenwicht met verschillende micro-organismen. Het zuur-base evenwicht houdt deze micro-organismen onder controle.

 

Verstoring zuur-base evenwicht door zware metalen

Zware metalen hebben de eigenschap zich op bepaalde bindingsplaatsen (receptoren) voor micro-organismen in het maagdarmkanaal te binden. Dit voorkomt dat nieuwe micro-organismen die door knopvorming uit oudere voortkomen op deze plaatsen kunnen vasthechten en hun werking kunnen uitoefenen.

Tot de micro-organismen die sterk afhankelijk zijn van deze eerder genoemde bindingsplaatsen behoren de azo-bacteriën. De term azo duidt erop dat deze micro-organismen organische verbindingen die een dubbel gebonden stikstofatoom (N=N) bevatten afbreken; verbindingen waar het ontgiftingssysteem van de lever nogal problemen mee heeft. Deze verbindingen worden omgezet in anorganische stikstofverbindingen die tegelijk als buffer werken en helpen de zuurgraad van de darm op pH 7.7-8.0 te houden. Dit is een basische pH. Ook secreten van andere klieren dragen bij aan het in stand houden van deze basische pH.

Bij sterke vermindering of afwezigheid van deze micro-organismen daalt de pH (wordt de darm zuurder), waardoor darmgisting ontstaat. Onze huidige voeding heeft namelijk een sterk zurenoverschot. Deze darmgisting wordt onder andere gekenmerkt door winderigheid (met vaak stinkende winden) en darmborrelingen. Tevens verandert daardoor de samenstelling van de darmflora en neemt het aandeel van semi-pathogene micro-organismen zoals Candida albicans toe.

 

Darmflora: micro-organismen

Ons lichaam wordt continu beïnvloed door stoffen uitgescheiden door micro-organismen op of in onze voeding en onze omgeving. Deze stoffen veroorzaken biochemische reacties in het lichaam. Op grond hiervan worden ze ingedeeld in nuttige en schadelijke micro-organismen. Beide groepen komen ook in ons lichaam voor. Tot de nuttige micro-organismen worden bijvoorbeeld de Lactobacillus-stammen gerekend, die onze darmfunctie ondersteunen; tot de schadelijke of ziekteverwekkende (pathogene) micro-organismen, de coliforme bacteriën, de Salmonella's en de gisten (Candida). Deze micro-organismen beïnvloeden niet alleen onze lichamelijke, maar ook onze geestelijke gezondheid. De toxinen en afvalstoffen die deze schimmels produceren worden in het bloed opgenomen en door het hele lichaam getransporteerd. Sommige van deze gifstoffen kunnen de bloed-hersen-barrière passeren en in de hersenen terecht komen en daar hun invloed uitoefenen.

 

 

Candida: gist of schimmel?

Bij ieder mens wordt in het maagdarmkanaal Candida albicans aangetroffen, overigens, voor zover bekend, zonder nuttige functie. Wanneer de concentratie laag blijft is geen behandeling nodig en zal dit ook geen symptomen veroorzaken. Wanneer het micro-organisme het maagdarmkanaal overgroeit, spreken we van een infestatie. Er zijn dan maatregelen nodig om dit tegen te gaan. Alleen een dieet zal het aantal Candida's niet verminderen of laten verdwijnen. Infecties veroorzaakt door Candida albicans en andere Candida-soorten worden wel opportunistische (door omstandigheden bepaalde) infecties genoemd. Tot deze infecties worden gerekend: endocarditis, fungemia, intertrigo, mucocutane candidiasis, perleché, spruw, systemisch of verspreide candidiasis/polysystemische chronische candidiasis (PSCC), urineweginfecties (honeymoon disease), vulvo-vaginitis (vaginale infectie) en ziekenhuisinfecties (nosocomische infecties).

Candida albicans is in feite een gist. Onder laboratoriumomstandigheden vermenigvuldigt Candida albicans zich door knopvorming. Onder semi-anaërobe omstandigheden of in weefsel wordt er tussen het afgesnoerde deel en de moedercel geen volledige dwarswand aangelegd waardoor pseudo-hyphen of pseudomycelia (pseudo-schimmeldraden) ontstaan. Deze schimmeldraden bestaan uit een aantal knopvormige verlengde cellen en worden ook wel rhizoïden genoemd. Op elk moment kunnen vanuit deze structuren door volledige knopvorming weer gisten worden aangemaakt. De incubatieperiode van Candida albicans bedraagt 2 tot 5 dagen.

Wanneer Candida albicans species een kolonie vormen of in serum geïncubeerd worden vormen ze zogenaamde kiembuizen. Bij het volgen van een dieet zonder medicatie (anti-mycoticum) is aangetoond dat Candida-micro-organismen in de darm ook van dergelijke kiembuizen vormt en dat deze de bloedbaan opzoeken.

De meeste Candida albicans subspecies vergisten suikers. Sommige subspecies groeien heel snel; de laatste decennia komen deze subspecies steeds meer voor als infectieorganismen bij de mens.

Behalve Candida albicans kennen we nog tal van andere micro-organismen die bij de mens infectieus kunnen voorkomen zoals Geotrichum candidum, G. albicum, Aspergillus nigrum, A. fumigatus, A. candidum, Penicillium candidum en andere Candida species zoals C. tropicalis en C. parapsilosis. Het zijn buitengewoon vitale micro-organismen, die in kleine aantallen onschadelijk zijn voor gezonde mensen. Wanneer het natuurlijke afweersysteem van de mens verzwakt is kan het voorkomen dat een schimmelinfectie de kop opsteekt. In de V.S. en Duitsland wordt geschat dat zestig procent van de bevolking lijdt aan overgroei door dit soort micro-organismen. De meeste van deze mensen zijn zich hiervan niet bewust en hebben geleerd met hun klachten te leven. Deze afwijkende darmflora kan symptomen veroorzaken als chronische vermoeidheid, chronische urineweginfectie, vaginale afscheiding, hoofdpijnen, verkoudheden, ondertemperatuur, koude handen/koude voeten, depressiviteit, winderigheid en diarree.

 

Afweerreactie op schimmelinfecties

Via aspecifieke en specifieke afweermechanismen kan het lichaam infectieuze organismen verwijderen. De fagocytose is de belangrijkste vorm van aspecifieke afweer. Deze vindt plaats door de macrofagen in de weefsels en de polymorfonucleaire granulocyten in de bloedbaan. Sommige infectieuze micro-organismen activeren het complementsysteem, eveneens een aspecifieke afweerreactie. Hierbij wordt het enzym C3-convertase geactiveerd, dat C3 in C3a en C3b splitst. Dit veroorzaakt een aantrekking (chemotaxis) van macrofagen en stimuleert de vrijmaking van histamine uit mestcellen. C3b bindt hierbij aan het infectieuze micro-organisme, waardoor het gemakkelijker door macrofagen wordt opgenomen.

Bij de specifieke afweer tegen Candida albicans zijn B- en T-lymfocyten betrokken. Na contact met de antigenen van C. albicans produceren de B-lymfocyten specifieke antilichamen. Na binding van deze antilichamen aan antigeen of cel is deze door de macrofagen beter te herkennen en op te nemen. Antilichamen van de IgG-klasse (met uitzondering van IgG4) kunnen bovendien het complement activeren. Om T-lymfocyten te kunnen activeren moet het antigeen aan deze cellen aangeboden worden door antigeenpresenterende cellen. In de huid zijn dat de langerhanscellen. Na activering ontstaan er twee typen T-lymfocyten. Een type produceert lymfokinen en cytotoxische T-cellen die het micro-organisme meteen doden.

Bij de specifieke immuunrespons worden geheugencellen aangemaakt, waardoor het lichaam bij een tweede blootstelling in staat is sneller te reageren. Hiervan wordt gebruik gemaakt bij de huidtest. Bij ernstige reactie is het humorale systeem altijd betrokken; bij simpele reacties meestal alleen de cellulaire afweer. Het verloop van de infectie correleert vaak met de mate waarin de afweer op gang komt. De ontstekingsreactie is erop gericht het micro-organisme te elimineren. De meeste infecties verdwijnen daarom spontaan binnen 6-10 weken (Jacobs, 1992).

Candida-antigeen verlaagt het aantal T-suppressorcellen van 15% naar 1%, waardoor de verhouding T-helper/T-suppressercellen stijgt. In totaal zijn er 79 Candida-antigenen bekend. Gemiddeld heeft een Candida albicans-stam 35 antigenen. In totaal zijn er 81 verschillende stammen bekend.

 

ectie en de allopathische geneeskunde

De allopathische geneeskunde ziet nog steeds het belang van Candida en soortgelijke micro-organismen niet in. Veel psychische medicatie wordt voorgeschreven voor klachten, waarvoor een oorzaak ontbreekt en die ten onrechte als psychisch worden afgedaan. Men is nog steeds niet op de hoogte van de epidemie van de tachtiger en negentiger jaren en begrijpt niet dat penicilline en andere antibiotica geen effect op deze klachten hebben, maar de klachten integendeel laat verergeren.

Vaak is de patiënt te geremd om met klachten als vaginale afscheiding, winderigheid of ontsteking rond de anus naar de huisarts te gaan. Toch lijkt hierin verandering te komen. Steeds vaker wordt in de medische literatuur gesignaleerd dat schimmelinfecties van de slijmvliezen toenemen (Janssen Pharmaceutica, 1991).

De biochemische veranderingen veroorzaakt door een overgroei van Candida kunnen zowel lichamelijke als psychische klachten veroorzaken. Veel klachten die gerelateerd zijn aan Candida worden veroorzaakt door verschillende (aceet) aldehyden die zij produceert.

Schimmels zetten suiker en enkelvoudige koolhydraten in anaërobe omstandigheden om in aceetaldehyden. Dit gebeurt ook in de dunne darm.

Deze aceetaldehyden worden naar de lever getransporteerd, waar ze geoxideerd worden met behulp van een zinkbevattend enzym. Wanneer er aan dit enzym een tekort is, bijvoorbeeld door zinktekort, of de expositie over langere tijd plaatsvindt, dan is de oxidatie niet volledig. Hierdoor kan chloralhydraat gevormd worden. Ook hebben deze toxines invloed op coenzym A, een van de verbindingen die een rol spelen bij de ontgifting in de lever. Wanneer deze toxines niet worden omgezet in de lever, kunnen ze in het systeem ophopen en het koolhydraat- en aminozuurmetabolisme verstoren. Het grootste probleem is het psychologisch effect dat deze toxinen veroorzaken. Ze remmen de aanmaak van acetylcholine, een van de belangrijkste neurotransmitters. Dit heeft een sterk effect op de functie van het autonome zenuwstelsel en geeft een gevoel van vaagheid en verstrooidheid. De patiënt heeft vaak een idee of het leven als een film aan hem/ haar voorbij trekt en hij er niet midden in staat. Het beïnvloedt vooral het korte termijngeheugen. Acetyldehydes kunnen een binding aangaan met aminen en zo stoffen vormen die een neurotransmitterfunktie hebben. De klachten die hierdoor ontstaan zijn vooral depressiviteit, angst, paniekstoornissen en concentratieproblemen.

Antibiotica doden de meeste darmbacteriën waaronder ook de goede. Daardoor kan er een soort monocultuur ontstaan en door de ecologische dysbalans heeft de darm weinig weerstand. Deze lage weerstand opent de weg voor Candida albicans of andere micro-organismen om verder uit te groeien. Hierbij kan dit micro-organisme van vorm veranderen. Deze gist kan pseudo-hyphen vormen, een soort wortelachtige structuren (rhizoïden) waarmee het door de darmwand kan groeien en de bloedbaan bereiken. Op deze wijze onttrekt de schimmel bepaalde voedingsstoffen als ijzer, magnesium, calcium en zuurstof aan het bloed. Celwandfragmenten tot 17 μm komen in de bloedbaan en kunnen aanleiding geven tot de vorming van immuuncomplexen. Deze kunnen een scala van andere klachten, zoals gewrichtsontstekingen, pijn in de borst en huidklachten, veroorzaken. Om dat te voorkomen is het van belang dat de darm bezet is met kolonies van Lactobacillus acidophilus- en L. bifidus-bacteriën.

Gezonde mensen absorberen twee procent van het onverteerde eiwit uit de darm. Bij mensen met allergieën of maagdarmklachten is dit percentage veel hoger. Ook gifstoffen (toxinen) die vaak ook een glycoproteïne-structuur hebben zullen gemakkelijker de darmwand passeren en zich in het lichaam kunnen ophopen, waardoor uiteindelijk het immuunsysteem verzwakt wordt. Het ziekteproces neemt jaren in beslag, zodat de achteruitgang van de gezondheid soms amper te merken is.

Door het blijven eten van eiwitrijk voedsel en voedsel dat slecht verdragen wordt of waarvoor men een overgevoeligheid heeft ontwikkeld, wordt het immuunsysteem steeds zwakker, waardoor nog meer reacties ontstaan en de weerstand van het immuunsysteem tegen Candida albicans afneemt en het micro-organisme nog verder kan uitgroeien. Als het immuunsysteem perfect functioneert heeft Candida albicans geen kans.

 

Normale darmflora

In de darm vindt men zeer hoge aantallen micro-organismen. In de dikke darm worden ruim 100 biljoen organismen per gram feces gevonden. De darmflora produceert voor ons bepaalde vitaminen, zoals enkele B-vitaminen en vitamine K. De hoeveelheid vitamine K die geproduceerd wordt dekt echter niet volledig de behoefte van een volwassene. Deze vitamine K is van vitaal belang bij pasgeborenen, omdat hun voeding daar zeer arm aan is.

De darmflora scheidt verder bepaalde enzymen af en mede daardoor worden vetten en galzuren afgebroken. Baby's dienen verder een bepaalde hoeveelheid Lactobacilli in hun darmflora te hebben omdat zij anders problemen kunnen krijgen met het afbreken van lactose (melksuiker).

Tussen darmflora en mens is sprake van symbiose. De een kan niet overleven zonder de ander. Als het immuunsysteem van de mens de normale flora zou elimineren zou hij overvallen worden door (opportunistische) infecties, die de mens zouden doden (Norton, 1986).

 

Bronnen van Candida-besmetting

Bronnen van besmetting zijn slechts van gering belang bij het optreden van Candida-infecties. Deze bronnen kunnen zijn: toiletten, openbaar vervoer, zonnebanken, (kleedhokjes van) zwembaden en sauna's.

 

Candidiasis

Candidiasis heeft de officiële benaming polysystemische chronische candidiasis (PSCC). Sommige mensen kunnen de smaak van schimmelig voedsel niet verdragen. Ze weigeren instinctief schimmelige groente en/of fruit en kunnen geen volkorenmeel, maar wel witmeel verdragen. Dit komt doordat op de buitenkant van de graankorrel schimmels hebben gegroeid.

Het klachtenpatroon dat een candidiasis-patiënt heeft wordt gekenmerkt door spijsverteringsstoornissen en een opgeblazen buik. Het meest opvallende van alle symptomen zijn echter de psychische klachten. De toxinen kunnen de volgende klachten veroorzaken: huilbuien, bezorgdheid, depressiviteit, vergeetachtigheid en een verminderd denkvermogen. Verder zijn de toxines volgens de medische literatuur verantwoordelijk voor de volgende lichamelijke klachten: menstruatiekrampen, lethargie, chronische diarree, infecties, astma, migraine/hoofdpijn, en huiduitslag. Donsbach ontdekte dat het optreden van candidiasis zich kenmerkt door vijf stadia: 1. periode met abnormale vermoeidheid; 2. periode met concentratieproblemen; 3. allergische creaties treden op, die steeds sterker worden; 4. toename van allergische reacties treedt op; de patiënt wordt gevoelig voor parfums, uitlaatgassen, sigarettenrook, drukinkt. Deze fase wordt wel het "universal reactor syndrome" of "total allergy syndrome" genoemd; fase 5. geestelijke achteruitgang, zware depressies.

Hieronder volgt een overzicht van de symptomen die door candidiasis veroorzaakt kunnen worden: chronische vermoeidheid, toename haargroei op het lichaam, schietende pijnen, gevoel van verdoofdheid, gewichtsverlies, duizeligheid, evenwichtsproblemen, afname van de coördinatie, geheugenproblemen, problemen met het inslapen, extreme slaperigheid, extreme trek/geen eetlust en opgeblazen gevoel. De meest voorkomende klachten bij vrouwen zijn: vaginale jeuk/pijn, vaginale afscheiding, endometriose, menstruatiekrampen, uitblijven/onregelmatige menstruatie, heftige bloedingen, premenstruele depressie/angsten, hoofdpijn, verminderde zin in sex, pijn in spieren en gewrichten, spierreuma, onvruchtbaarheid, kouwelijk en pijn in het bekken. De meest voorkomende klachten bij mannen zijn: prostaatproblemen, gezwollen penis, uitslag op de penis, jeuk aan de testikels, ongewoon frequent urineren, verminderde zin in sex, impotentie, voetschimmel, maagpijn, hoofdpijn en geïrriteerdheid.

Patiënten met candidiasis hebben vaak ook een allergie voor bepaalde schimmels, die in de lucht voorkomen. Een deel van de eerdergenoemde klachten dient daaraan te worden toegeschreven. Deze patiënten voelen zich over het algemeen beter bij droog warm weer en bij langdurige vorstperioden en slechter bij nat warm weer en bij mist.

 

Cystitis en vaginale infectie

Cystitis is een chronische blaasontsteking die met extreme pijn gepaard kan gaan en voornamelijk bij vrouwen voorkomt. Cystitis wordt meestal veroorzaakt door bacteriën of virussen. Bij recidiverende blaasontstekingen speelt een onderliggende Candida-infectie regelmatig een rol. Symptomen bij cystitis zijn: vaak kleine hoeveelheden urineren, pijn of branderig gevoel bij urineren, rugpijn, bekkenpijn, verhoogde lichaamstemperatuur en algehele malaise. Bij een aantal vrouwen verergeren deze klachten na gemeenschap, bovendien kunnen enkele uren na de gemeenschap ernstige pijnaanvallen optreden. Urine van deze vrouwen bevat soms slijm, etter of bloed (Kilmartin, 1986).

Blaasontstekingen kunnen een oorzaak van onvruchtbaarheid zijn. Vrijwel alle vrouwen met recidiverende cystitis als gevolg van Candida hebben ook een vaginale candidose. Hierbij kan sprake zijn van een witte, dikke vaginale afscheiding met weinig of geen geur, branderig of jeukend gevoel van de schaamlippen, kloofjes of rode vlekken op de schaamlippen en een branderig gevoel bij het urineren (Groot, 1990).

De vagina is vanwege de warmte en de vochtigheid een geschikte plaats voor de (over)groei van Candida. Groei hiervan wordt tevens bevorderd wanneer de zuurtegraad afwijkend is. Stress en veel suikergebruik verergeren in het algemeen de klachten, door afname van de lokale afweer en verandering van de samenstelling van het vaginale slijm. Hygiëne speelt een zeer belangrijke rol bij de behandeling en preventie van cystitis en vaginale infecties.

Allergieën kunnen ontstekingsreacties in de blaaswand veroorzaken en daarmee de ingroei van Candida-mycelium vereenvoudigen. Net als bij Candida wordt door de lokale ontstekingsreacties de afweer van het blaasslijmvlies ondermijnd. Op zich kunnen deze allergieën ook klachten aan de urinewegen veroorzaken die weer lijken op cystitis. Van bepaalde voedingsmiddelen is ook bekend dat deze de blaas kunnen irriteren. Voorbeelden hiervan zijn koffie, thee, alcohol, heet (gekruid) voedsel, chocola, kaas, uien en citrusvruchten.

Hormonale veranderingen kunnen een rol spelen bij het optreden van recidiverende cystitis doordat de samenstelling van het vaginale slijm verandert. Pilgebruik kan daarom cystitis verergeren of zelfs veroorzaken (Novotny, 1991).

 

Onderzoek

Na een eerste contact met een micro-organisme maakt het lichaam antistoffen van het type M aan. De concentratie van deze antistoffen bereikt binnen enkele weken een piek om vervolgens weer geleidelijk te dalen. De IgM-productie wordt na enkele dagen gevolgd door de productie van antistoffen van het type G.

Patiënten met hematologische afwijkingen, immuundeficiëntie en patiënten met immuunsuppressieve of antineoplastische therapie vormen alleen IgM-antistoffen tegen Candida albicans en geen IgG-antistoffen (Porsius, 1990).

Bij een pathologische reactie blijft de titer van antistoffen van het type M langdurig hoog (zelfs tot meer dan anderhalf jaar) om dan geleidelijk weer af te nemen. In zo'n situatie worden IgG4- of IgE-antistoffen aangemaakt.

Aangezien Candida albicans vrij algemeen voorkomt, komen ook bij een aantal gezonde mensen hoge titers met IgG-antistoffen voor. Een hoge IgG-waarde tegen Candida albicans alleen hoeft derhalve niet altijd op een actieve C. albicans-infectie te wijzen. Bij mucocutane infecties werd bij een significant aantal mensen verhoogde antistof-titers aangetoond (Ott e.a., 1990).

Vals-negatieve reacties komen voor bij patiënten met immunosuppressieve therapie en bepaalde immunologische stoornissen, zoals kanker en AIDS. IgA-Candida is nogal eens verhoogd bij lokale slijmvliesreacties. Een uitgebreide Candida-serologie omvat zowel IgA, IgM als IgG-Candida albicans als een meting van de hoeveelheid Candia-antigeen in het bloed.

De pH van de urine van de candidiasis-patiënt is doorgaans verlaagd (pH < 6). De pH-daling van de urine gaat vaak samen met een verlaagde pH van het speeksel. Tevens zijn vaak zware metalen, zoals anorganisch koper en zink, in de urine aanwezig. Dit is aan te tonen met de zware metalen test.

 

 

Behandelingsplan

 

De behandeling van een candidiasis bestaat uit een aantal stappen. De belangrijkste stap is het verwijderen van voldoende Candida-cellen uit het maagdarmkanaal, zodat er weer een balans in de darmflora kan ontstaan. Veel van de bekende behandelingen gaan uit van een Candida-dieet. Het alternatief is het gebruiken van biologische remedies of medicaties om schimmels te doden. De dode Candida-cellen dienen zo snel mogelijk het lichaam te verlaten. Het lichaam heeft hiertegen antistoffen aangemaakt en opname zal leiden tot een allergische reactie. Daarnaast zullen de toxinen via darmwand in het bloed worden opgenomen. Er zal vervolgens een herstel van het spijsverteringsapparaat moeten plaatsvinden, een herstel van het metabolisme, van het zuur-base evenwicht, een herstel van het hormonaal evenwicht en van het evenwicht tussen organen en orgaansystemen. Pas dan zal het immuunsysteem zich kunnen herstellen, alsmede het zenuwstelsel en de psyche. Van groot belang is dat de levenshouding en het gedrag verandert met betrekking tot voeding en lichaamsbeweging.

Geneesmiddelen die tegen schimmels werken worden antimycotica genoemd. Sommige antimycotica zijn op zich weer van micro-organismen afkomstig. Hiertoe behoren onder andere amfotericine B, nystatine en griseofulvine. Amfotericine B en nystatine worden na toediening via de mond niet in het bloed opgenomen. Deze middelen kunnen dan ook uitsluitend plaatselijk of als injectie worden toegepast. Een amfotericine B-injectie gaat echter gepaard met veel bijwerkingen. Griseofulvine wordt wel in het bloed opgenomen. De opname wordt bevorderd door het gebruik van een vetrijke voeding. Het middel grijpt aan op de celdeling van de schimmel. Het is echter tegen een beperkt aantal schimmelsoorten werkzaam en dient zeer langdurig te worden gebruikt (1-6 maanden). Een ander nadeel van griseofulvine is de interacties met andere middelen. Zo worden orale anticonceptiva en ontstollingsmiddelen minder werkzaam (Norton, 1986d). In de zeventiger jaren werden de azolderivaten geïntroduceerd, zoals het sterk lipofiele triazolderivaat itraconazol (Trisporal). De werking van de azolderivaten berust op een selectieve inhibitie van het cytochroom P-450 systeem in schimmelcellen, waardoor geen ergosterol kan worden aangemaakt. Ergosterol is het celwandmateriaal van schimmelcellen. Door een tekort kan de celmembraan niet meer normaal functioneren (Janssen, 1991a) en sterft de schimmel af. Tot de imidazolen behoren onder andere miconazol (Daktarin) en ketoconazol (Nizoral). Nizoral wordt na toediening via de mond in het bloed opgenomen. Het kan daardoor ingezet worden tegen uitgebreide oppervlakkige of diepliggende schimmelinfecties. De nieuwste vertegenwoordigers van de antimycotica zijn de triazoolderivaten fluconazal en intraconazol. Het werkingsmechanisme van deze stoffen lijkt op die van de imidazolen. Flucinazol (Diflucan) is toe te passen bij lokale en stelselmatige schimmelinfeckties.

Een van de redenen van onwerkzaamheid van de therapie is de ontwikkeling van resistentie door de gistcellen. Dit is vooral beschreven bij fluconazolgebruik. Een van de oorzaken lijkt te zijn dat gistcellen minder fluconazol opnemen. Dit kan te maken hebben met de wateroplosbaarheid van het molecuul. Voor het uitgesproken lipofiele intraconazol wordt resistentie in veel mindere mate waargenomen. Een ander mechanisme is de interactie van het antimycoticum met het metabolisme van de patiënt. Voor ketaconazol en itraconazol zijn interacties waarschijnlijk een belangrijke oorzaak van onwerkzaamheid, omdat stoffen onder invloed van enzyminductoren (rifampicine/fenytoïne) veel sneller worden afgebroken (Van 't Wout en Reiss, 1994).

 

Literatuur

Bisschop M.P.J.M. e.a. (1987) Ned. Tijdschr. Geneesk. 159, 12.

Bisschop M.P.J.M. e.a. (1984) Fluor vaginalis TGO/JDR 9, 192.

Bisschop, M.P.J.M. e.a. (1984) The hydrogen concentration of the vaginal wall. In: Vaginal candidosis. Proefschrift Amsterdam, pp. 21.

Bisschop, M.P.J.M. e.a. (1986) Co-treatment of the male partner in vaginal candidosis: a double-blind randomized control study. Br. J. Obstet. Gynaecol. 93, 79.

Groot A. (1990) Van je afscheiding af? Vrouwengezondheidscentrum, Utrecht. pp. 60.

Intveld, A.N. e.a. (1987) Yoghurt oraal of vaginaal? De werkzaamheid van yoghurt bij de behandeling van candidosis vaginalis. Ned. Tijdschr. Geneesk. 131, 1361.

Jacobs, A.E.M. (1992) Hoe ontstaat een dermatofyteninfectie? Janssen Medisch- Wetenschappelijk Nieuws 7, 43.

Janssen Pharmaceutica (1991a) Schimmelinfecties praktisch bekeken: deel 1 De huid. Janssen Pharmaceutica, Beerse.

Janssen Pharmaceutica (1991b) Schimmelinfecties praktisch bekeken: deel 2 De vagina. Janssen Pharmaceutica, Beerse.

Kilmartin, A. (1986) Victims of trush and cystitis. Arrow Books Ltd, London. pp. 161.

Merkus, J.M.W.M. (1990) Treatment of vaginal candidosis: orally or vaginally? J. Am. Acad. Dermatol. 23, 568.

Norton, C.F. (1986a) Microbiology Part Four: Controlling microorganisms. Addison-Wesley Publishing Company, Reading. pp. 777.

Norton, C.F. (1986b) Microbiology Part Five: Microorganisms: The environmental and economic impact. Addison-Wesley Publishing Company, Reading. pp. 782.

Norton, C.F. (1986c) Microbiology Part Three: Human infectious disease. Addison-Wesley Publishing Company, Reading. pp. 480/522.

Norton, C.F. (1986d) Microbiology Part Two: Host and Parasite. Addison-Wesley Publishing Company, Reading. pp. 329 e.v.

Novotny, P.P. (1991) What women should know about chronic infections and sexually transmitted diseases. Dell Publishing, New York. pp. 150.

O'Connor, M.I. en J.D. Sobel (1986) Epidemiology of recurrent vulvovaginal candidiasis: identification and strain differentiation of Candida albicans. J. Infectious Diseases 154, 358.

Ott, A.K., K.M. Franklyn, J.R. Warmington e.a. (1990) A. Candida-specific antibody in patients with vaginitis. Med. J. Aust. 152, 390.

Oud, P.H.J.J. (1991) Schimmels kunnen zich nestelen in longen en nieren. De Gelderlander 14 februari 1991.

Porsius, J.C., H.J.A. van Vliet, J.H. van Zeyl e.a. (1990) Detection of an antibody response in immunocompetent patients with systemic candidiasis or Candida albicans colonisation. Eur. J. of Clinical Microbiology and Infectious Diseases 9, 352.

Van 't Wout, J.W. en P. Reiss (1994) Mycosen bij HIV-seropositieve patinten. Janssen Medisch-Wetenschappelijk Nieuws september 1994, 235.

Warmington, J.R. en K.M. Franklyn (1992) Towards an improved diagnosis of Candida albicans infections. International Nutrition Review 12, 195.

________________________________________________________________________



Intro | KEAC index | HPU website | English